Dutch Lesson Online 6 of 33
In Progress

Dutch words: The calendar

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
Januari January Februari February
Maart March April April
Mei May Juni June
Juli July Augustus August
September September Oktober October
November November December December
Maandag Monday Dinsdag Tuesday
Woensdag Wednesday Donderdag Thursday
Vrijdag Friday Zaterdag Saturday
Zondag Sunday (in) het weekend (in /on) the weekend
De werkdag Working day Een vrije dag A day off
De week Week De maand Month
De zomer Summer De winter Winter
De herfst Autumn De lente Spring
Het seizoen Season De ochtend, morgen Morning
De middag Afternoon De avond Evening, night (before bedtime)
De nacht Night Deze week, zomer etc. This week, summer etc.
Vannacht Tonight (after lights are out) Vandaag Today
Vanavond Tonight (before bedtime) Vanmiddag This afternoon
Gisteren Yesterday Eerginsteren The day before yesterday
Morgen Tomorrow Overmorgen The day after tomorrow
Morgenochtend Tomorrow morning (met) Kerstmis (at) Christmas
De eerste kerstdag Christmas Day De tweede kerstdag Boxing Day
De kerstavond Christmas Eve De kerstvakantie Christmas holidays
De kerstman Santa Clause (met) Pasen (at) Easter
De eerste paasdag Easter Sunday De tweede paasdag Easter Monday
Goede Vrijdag Good Friday De paashaas Easter Bunny
Het paasei Easter egg Pinksteren Pentecost, Whit Sunday
Aswoensdag Ash Wednesday Nieuwjaarsdag New Year’s Day
Oudejaarsavond New Year’s Eve Carnaval Carnival
Moederdag Mothers’ Day Vaderdag Fathers’ Day
De verjaardag Birthday Dodenherdenking May 4th, Remembrance Day
Bevrijdingsdag May 5th, Remembrance day Sinterklaas Dec 5th ,Saint Nicholas Day
De tijd(en) Time(s) Tegenwoordig Nowadays
Het verleden Past De toekomst Future
Het jaar Year Het schrikkeljaar Leap year
Het decennium (pl. -ia) Decade De eeuw Century
De middeleeuwen Middle Ages Middeleeuws Medieval
Het tijdperk Era