Dutch Lesson Online 26 of 33
In Progress

Dutch words: The Family

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
Het gezin Family Het familielid (pl. -leden) Relative
Verwant (met) Related (to) Getrouwd (met) Married (to)
De vader Father De moeder Mother
De zoon Son De dochter Daughter
De man Man; husband De vrouw Woman; wife
De zuster Sister De broer Brother
Het zusje Younger (little) sister Het broertje Younger (little) brother
De schoonouders Parents-in-law De schoonvader Father-in-law
De schoonmoeder Mother-in-law De schoonzoon Son-in-law
De schoondochter Daughter-in-law De schoonzus Sister-in-law
De zwager Brother-in-law De oom Uncle
De tante Aunt De neef Nephew, cousin (masc.)
De nicht Niece, cousin (fem.) De achterneef, -nicht Second cousin
Het kleinkind Grandchild De kleinzoon, -dochter Grandson, -daughter
Het achterkleinkind Great grandchild De grootouders Grandparents
De grootvader (opa) Grandfather (grandpa) De grootmoeder (oma) Grandmother (grandma)
De (bet)overgrootouders (great)great grandparents De peter Godfather
De meter Godmother Het petekind Godchild
De pleegouders Foster parents De stiefouders Stepparents
Het stiefkind Stepchild De wees, het weeskind Orphan
Het weeshuis Orphanage Het bejaardentehuis Retirementhome, home to the elderly