Dutch Lesson Online 31 of 33
In Progress

Dutch words: The nation & the Country

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
Het ministerie Ministry, department Onderwijs en Wetenschappen Education and Science
Financiën Treasury Defensie Defence
Binnenlandse Zaken Home Affairs Buitenlandse Zaken Foreign Affairs
Volksgezondheid Public Health Volkshuisvesting Housing
Werkgelegenheid Employment Sociale Zaken Social Services
Het koninkrijk Kingdom De koning(in) King (Queen)
De graaf Count De gravin Countess
Het graafschap County De hertog (pl. -ogen) Duke
De hertogin Duchess Het hertogdom Duchy
De prins(es) Prince(ss) De keizer(in) Emperor (empress)
De adel Nobility De edelman Noble, aristocrat
Het volk (the) people; masses Het volkslied National anthem
De hoofdstad Capital city De provincie Province
De deelstaat State, province De grondwet Constitution
De democratie Democracy Democratisch Democratic
De republiek Republic De monarchie Monarchy
Het koningshuis Royal house De regering Government
Het parlement Parliament Het parlementsgebouw Parliament house
De eerste/ tweede kamer Upper/ tower house De eerste minister Prime minister
De minister-president Prime minister De president President
Het parlementslid (pl. Leden) Member of parliament De politieke partij Political party
De rijksambtenaar Civil servant De politicus (pl. -ici) Politician
De politiek Politics Politiek Political
De verkiezingen Election Stemmen To vote
De kiezer Voter De meerderheid Majority
De minderheid Minority Het comité Committee
De voorzitter Chairman Het bestuur Administration
Vergaderen To meet De vergadering The meeting
De bijeenkomst Meeting, gathering De vereniging Society, club
Het congres Conference Een beslissing nemen To make a decision
Beslissen, besluiten To decide Het besluit Decision, decree