Dutch Lesson Online 14 of 17
In Progress

Dutch words for beginners Part 2

Dutch Lesson Online
Materials

Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

Dutch English Dutch English
het ding thing meubels furniture
kapot broken de vuilniszak rubbish bag
eigen own buiten outside
de Chemokar council vehicle that comes and collects chemical waster from special locations koud cold
thuisblijven to stay at home uitkomen to suit (as in time)
snijden to cut thuis at home
de afdeling Department weer again
de afspraak the appointment nadeel disadvantage
delen to share passagiers (French sound) passengers
helaas unfortunately bij at, by, in or near
Doe eens makkelijk take it easy for once (for a change) personeelszaken personnel
manier manner reis trip or travel
eens once dag hello (short vowel) goodbye (long vowel sound)
makkelijk easy toch used to convince
de chauffeur the driver Nederlandse Spoorwegen (NS) Proper Name of Dutch Railways
doorverbinden to put through daar there; as, because
bedankt thanks andere other
organisch organic het kaartje ticket
tot zo See you in a little while dom, stom stupid
voordeel advantage tot ziens See you (uncertain when)
ook also etc. etc
rijden to ride de trein train
kopen to buy aankomen to arrive
stijf stiff afspreken to make an appointment
ophalen to pick up (to fetch) zwemmen to swim
de vlucht the flight kunnen can
agressief aggressive vreemd strange, foreign, alien
sporten to play sport zondag Sunday
kunnen to be able mam/pap bezoeken visit mum/dad
het artikel (reading) article tot straks See you later
ach! oh! mij me
wat ga je doen? what are you going to do? alstublieft if you please (polite)
eigenlijk really, actually snel fast
smaken to taste vertrekken to leave
jeeminee! an exasperation! bellen to phone
intelligent intelligent deze this/these (de words)
minst least meebrengen to bring along
misschien perhaps, maybe de avond evening
afmaken to finish nou now, you bet!
geven to give dik fat
het station station willen want
vrolijk jolly de ochtend/ de morgen morning
rond round schoonmaken to clean
de middag afternoon meekomen to come along
slank slim de schouwburg the theatre
ouderwets old fashioned truttig dowdy
weggaan to go away net neat and tidy
ophangen to hang up de afspraak the appointment
toneel drama Nederlandse literatuur Dutch literature
ik ben vreselijk geïnteresseerd I’m very interested in afzeggen to cancel
mijn haar wassen to wash my hair donderdag Thursday
dagen van de week days of the week wandelen to walk
dorst thirst hen/hun/ze them
tolerant tolerant uitsmijter a dish with fried eggs, bread and a salad
afspreken to arrange to meet (to make an appointment) volgend jaar next year
maandag Monday schoonmaken to clean
modern modern vergelijken to compare
hem him bier beer
dit this/these (het words) geeft u mij maar? please (literally: give me.)
moeten to have to (must) graag thanks
een glas fris a cold drink een glas sap a glass of juice